Steentijd

Steentijd
Het Houtens landschap in de Steentijd

Tijdens de laatste ijstijd heerste in onze regio een poolklimaat, afgewisseld door een toendraklimaat. Het was droog en los zand stoof rond. Sporen van dit kale landschap bevinden zich op 8 meter diepte in de Houtense bodem. Rond 9700 voor Christus kwam er een eind aan de ijstijd en warmde het op.

Op deze website maken we onderscheid tussen de Oude Steentijd (voor 9700 voor Chr) en de Nieuwe Steentijd (na 9700 voor Chr).

De Oude Steentijd kenmerkt zich door ijstijden, afgewisseld door warmere perioden. In Nieuwegein en in Veenendaal zijn in diepe putten sporen van bewoning uit deze tijd teruggevonden. De Nieuwe Steentijd kenmerkt zich als een warmere periode waarbij het huidige landschap wordt gevormd.

Vorming landschap Houten

In de Nieuwe Steentijd warmt het klimaat op en komt de kustlijn dichterbij. Ongeveer 6000 voor Christus beginnen rivieren zich in te slijten. De vorming van het landschap is begonnen. Volgens de Atlas van het Holoceen stroomde in jaar 5500 voor Christus, de Rijn ten zuiden van Houten naar de zee bij Gouda. De start van veenvorming in onze regio kunnen we voorzichtig vastleggen op 4350 voor Chr. (bron).

Tussen het huidige Tull en ’t Waal en IJsselstein stroomde een paralleltak van de Rijn die we De Wiersch noemen. Uit onderzoek in Het Klooster (Nieuwegein) blijkt dat er hier rond 4000 voor Christus menselijke activiteit was (Swifterbantcultuur).

Rivieren verplaatsen zich daarna regelmatig en overstromingen zorgen voor hogere en lagere gedeelten. De eerste permanente bewoners in Houten verschijnen rond 2200 voor Christus. Ze zijn waarschijnlijk afkomstig van de Utrechtse Heuvelrug. Met name in Doorn, Leersum en Amerongen was in die tijd een Steentijd-gemeenschap actief.

Tip: Een boek dat goed inzicht geeft in het landschap van deze tijd is de Atlas van het Holoceen. Bekijk op bol.com.