Late IJzertijd (-250 / -12)

IJzertijd
Opgraving in Loerik, waar sporen uit de Late IJzertijd zichtbaar zijn.

De Late IJzertijd betekende een periode met een enorme verandering voor Houten. In enkele eeuwen kreeg de lokale bevolking te maken met de Eburonen, Bataven en Romeinen.

Het Houten uit de derde eeuw voor Christus was een dunbevolkt gebied. Zeker in vergelijking met de aantallen mensen die woonden in het zuiden en midden van Europa. Gebieden waar de ontwikkeling al veel verder was, maar waar ook de oorlogzucht was toegenomen.

Het landschap op de Houtense stroomrug bestond uit bos. Elzen op de lagere delen en Eiken, Hazelaar en Beuken op de hogere delen (bron). Door het bos liepen geulen van ongeveer één meter diep. Dit waren oude rivierbeddingen die vol stonden met water. Boerderijen stonden bij voorkeur langs zo’n geul. Een bekend voorbeeld zijn de rijen boerderijen langs de restgeul in de wijk De Grassen.

Verandering landschap

Rond -200 voor Christus (+/- 37 jaar) verandert het landschap. Uit archeobotanisch onderzoek blijkt het bos in Loerik vrij plotseling een open landschap te zijn geworden. Ook wordt meer menselijke activiteit waargenomen (bron). Het lijkt erop dat de Eburonen of een verwante groep zich vanaf dat moment in Houten hebben gevestigd. Aanwijzing is het zogenaamd La Tène-glas, maar ook kledingspelden en Keltische munten (bron). De oudste munt die is gevonden is een gouden stater, type Scheers 31 (gedateerd tussen -60 / -20 voor Chr). Het was het eerste geld in onze regio.

Archeologen vinden veel sporen uit de Late Ijzertijd terug in ’t Goy en Houten. Het gaat dan om kleine nederzettingen. Twee a drie huisjes samen, die een gemeenschap vormden. De mensen die hier woonden maakten gebruik van veeteelt (rund, paard, schaap of geit, en varken) en landbouw (graan). Het aantal nederzettingen was een derde van het latere aantal Romeinse nederzettingen (bron). Schalkwijk was in die tijd verlaten,  met uitzondering van enkele hogere delen. Tegelijkertijd ontstaat ten zuiden van Houten De Lek.

Julius Caesar

Vanaf 57 voor Christus. definieert de Romeinse veldheer Julius Caesar de Rijn als noordgrens van Gallië. Groepen die ten noorden en oosten van de Rijn wonen noemt hij Germanen en groepen ten zuiden en westen van de Rijn noemt hij Belgea. In 56 voor Christus slaan Germaanse stammen uit Duitsland (Usipeten en Tencteren) op de vlucht voor de Sueben (Ook Germaans). Via de Rijn trekken ze naar de kust, waar ze de Menapiërs (Belgea) verslaan. Ongetwijfeld heeft de Late Ijzertijd-bewoning in het Houtense gebied last gehad van deze langstrekkende stammen. In 55 voor Christus vernietigt Caesar bij Kessel deze plunderende ronddolende Germanen.

Tip: In het boek ‘De Gallische oorlog langs Rijn en Maas’ geeft Tom Buijtendorp duidelijkheid over Julius Caesars aanwezigheid in Noord Frankrijk en Belgie, iets dat lange tijd in nevelen gehuld was.
Te bekijken bij Bol.com.

Bataven

Vermoedelijk tussen -38 en -30 voor Christus dringen vanuit het oosten de Bataven op langs de rivieren. Ze waren enkele jaren eerder door de Romeinen aangemoedigd de dunbevolkte gebieden in Nederland te bevolken. De Eburonen en Bataven smelten samen en enkele tientallen jaren later komen de Romeinen definitief binnen.