Gerechten

In de 13e eeuw verdwijnen de domeinen (grote boerenbedrijven met onvrije of halfvrije boeren) en de graafschappen. Er ontstond een nieuwe vorm van bestuur: de gerechten. Een andere reden voor het ontstaan van een gerecht waren de ontginningen zoals Schalkwijk, Schonauwen en Wulven.

Vanaf 1300 bestond het gebied rond Houten uit zo’n 15 gerechten. Deze werden bestuurd door een edelman. De eigenaar van het gerecht oefende lokale regeermacht en lagere rechtspraak uit. Hij had de grond in het leen van een klooster of abdij of een hogere edelman. Een deel van de gerechten viel onder Culemborg en Vianen. In het hele Kromme Rijngebied waren in de middeleeuwen 58 gerechten te vinden. Het gerecht Houten en ’t Goy en het gerecht Schalkwijk waren de grootsten in het huidige Houten. Er waren ook enkele minigerechten ter grootte van één boerderij.

Vanaf de Reformatie (1580) kwamen ze steeds vaker in handen van rijke stedelingen. De term ambachtsheer die gebruikelijk was in Holland en Zeeland voor de gerechtseigenaar, werd ook in Het Sticht ingevoerd. Een gerecht noemde men dan ook een ambachtsheerlijkheid. Een gerecht was een verzameling rechten over een bepaald gebied waar de stedeling inkomsten en status uit haalden.

De rechtspraak

De grotere gerechten hadden een schout in dienst, die was belast met de uitvoering van de lagere rechtspraak, het innen van geld bij de boeren en het dagelijks bestuur. De rechtspraak werd door de buren gedaan, het zogenaamde burenrecht. Dit ging over het verleggen van een weg, het uitbaggeren van een sloot, onenigheid over de waterhuishouding en andere zaken die niet direct om een antwoord vroegen. Ook werden er kleine boetes uitgedeeld. Lijfstraffen, marteling en halsrecht (onthoofding) viel onder de hogere rechtspraak en werd door Utrecht afgehandeld.

De schout was door de gerechtsheer aangesteld om een en ander te organiseren. Een keer per jaar en in Schalkwijk drie keer per jaar werden er zogenaamde rechtsdagen gehouden. Het ging daarbij over onderwerpen die we tegenwoordig zouden toebedelen aan een Hoogheemraadschap of een gemeenteraad. Een schout was in die tijd dan ook burgemeester, politiecommissaris, notaris en kantonrechter tegelijk.

De schout leidde de bijeenkomst van zo’n rechtsdag. Van de uitspraken werden aktes gemaakt, waardoor we nu een en ander weten. Prof. Dekker vermeldt in zijn standaardwerk “Het Krommerijngebied in de Middeleeuwen” een en ander over de lagere rechtspraak. Zo werd in de herberg van Jan van Beesd in Schonauwen (1356) de lagere rechtspraak uitgeoefend. In Houten vond de rechtspraak plaats in de open lucht op het kerkhof (1392) en in Schalkwijk (1414) eveneens.

Naast de buren waren ook lantgenoten aanwezig. Deze laatsten waren landeigenaren, een soort herenboeren die een hogere klasse bezaten, dan de gewone boeren (buren). Soms was zelfs de gerechtseigenaar aanwezig en het zal duidelijk zijn dat de schout zijn eigen broodheer het niet al te moeilijk maakte.

De schout had enige moeite met orde houden. Historicus Wttewaall meldt in de uitgave “Het ontstaan van Houten” dat soms de bijeenkomsten overgingen in drinkgelagen zonder dat er een besluit volgde. De schout klaagde daarnaast wel eens over gebrek aan invloed en corruptie was niet ongewoon.

Schepenbank

In de 15e eeuw werd hier en daar een schepenbank ingesteld. Nadat in 1528 Het Sticht verdween, werd dit proces versneld. In 1662 hadden alle gerechten schepenrecht. Een schepenbank bestond uit de schout en een aantal personen die door de Staten van Utrecht waren aangewezen. De hogere rechtsmacht viel onder de Staten van Utrecht en werd uitgevoerd door het Hof van Utrecht.

Deze schepenen deden meer dan alleen rechtspreken, ze hielden zich steeds meer bezig met belastinggeld innen en met het onderhoud van de wegen. Het werd daarmee geleidelijk een dagelijks bestuur, vergelijkbaar met de huidige gemeenteraad en waterschap.

Splitsing gerechten en kasteel

De meeste grotere gerechten hadden vanaf de 12e of 13e eeuw als basis een kasteel of vooraanstaand huis. In sommige gevallen werd het kasteel gesplitst van de ambachtsheerlijkheid. Dit gebeurde in 1727 in Schonauwen en in 1651 in Schalkwijk. Zodoende treffen we in de bronnen meerdere heren van Schalkwijk of Schonauwen aan. De een woonde in het kasteel, de ander was eigenaar van het gerecht.

De gerechten in het huidige Houten waren:

Caenbroeck: Mogelijk was de ontginning Kanenbroek in Schalkwijk ook een gerecht tot halverwege de 14e eeuw (bron).

In het voorjaar van 1797 werd door de Fransen het heerlijk recht afgeschaft. De ambachtsheerlijkheid kwam daarmee te vervallen. De schepenbanken werden in 1811 afgeschaft. Rechtbanken en gemeenteraden kwamen ervoor in de plaats. De schout werd voorzitter van de gemeenteraad. Vanaf 1825 wordt in onze omgeving niet meer over schout gesproken, maar over burgemeester.

Uw ambachtsheer in de huidige tijd

De titel ambachtsheer werd tot halverwege de 19e eeuw doorverkocht. Het was vooral een statussymbool en gaf kans om in de adelstand te worden verheven. Ambachtsheren wilden vaak niets meer met het bestuur van een gemeente te maken hebben. Incidenteel bemoeiden ze zich op verzoek met benoemingen. Tot in de huidige 21e eeuw was het mogelijk een ambachtsheerlijkheid te kopen.

Woont u in de wijken Schonauwen of De Hoon? Dan is een nazaat zijn van Johan Ortt uw ambachtsheer. Woont u in ’t Goy of in Houten dan moet die persoon een nazaat zijn van Van Hangest d’Ivoy. Deze familie draagt namelijk nog de titel ambachtsheer van Houten en ’t Goy. Schalkwijk is van de familie Wijkerslooth-de Weerdestein en Tull en ’t Waal is van de familie Taets van Amerongen van Renswoude.

1451Eerste schepenen Honswijk
1662Burenrecht verdwijnt
1797afschaffing heerlijk recht
1798Ontstaan gemeentes
1802Opheffing gemeentes
1811Afschaffing schepenbank
1812Ontstaan gemeentes
1825Burgemeester

Deze pagina is gewijzigd op 17 september 2021