Sinds 1375 konden verschillende ridders deelnemen aan de vergaderingen van Het Sticht. Ze vormden daarmee de Tweede Stand. De Eerste Stand waren de geestelijken en de Derde Stand de steden Utrecht, Amersfoort en Wijk bij Duurstede. De vergaderingen stonden bekend als de standenvergaderingen, ook wel later een statenvergadering genoemd.
Met de opheffing van Het Sticht in 1528 werd het ridderschap aan banden gelegd. Voortaan bepaalde het Hof van Utrecht wie tot deze Tweede Stand behoorde. De regels waren niet nieuw, maar werden strakker gehanteerd. Om tot deze Tweede Stand te behoren en een kans te maken op een positie in de Staten van Utrecht moest aan een aantal eisen worden voldaan:
- De persoon moest een riddermatige afstamming hebben;
- Hij moest een riddermatige levenswijze hebben;
- Hij moet een ridderhofstad bezitten.
Ridderhofstad
Een ridderhofstad was een versterkt huis met gracht en ophaalbrug en een bijhorende boerderij. De term dateert al uit 1512 toen men huisgeld wilde invoeren, maar wat nooit gebeurde. Ridderhofsteden zouden volgens dat plan worden vrijgesteld, omdat de ridders diensten leverden voor de landsheer. Ridders werd bijvoorbeeld gedagvaard en leverde soldaten voor oorlogen die de landsheer voerde.
Op 27 oktober 1536 werden er 38 ridderhofsteden erkend. Na protesten kwamen er na enkele weken 19 kastelen bij. In mei in 1539 waren er totaal 67 kastelen als ridderhofstad erkend. Voor de huidige gemeente Houten ging het om:
- 27-10-1536 Kasteel Schonauwen (Joost van Baern)
- 27-10-1536 Kasteel Schalkwijk 2 (Dirk van Jutfaes)
- 27-10-1536 Kasteel Heemstede 1 (Godschalk van Winssen)
- 27-10-1536 Kasteel Wulven (Jan van Renesse)
- 15-2-1538 Kasteel Vuylcop (Hubert van Buuren)
Huisgeld wordt oudschildgeld
De leden van de Staten van Utrecht kwamen er in de zomer van 1539 vervolgens niet uit om over te gaan tot heffing van het huisgeld en de bijhorende vrijstelling voor de ridderhofsteden. Van hogerhand werd in augustus 1539 geforceerd dat er geen huisgeld werd ingevoerd, maar een belasting op grondbezit; het zogenaamde oudschildgeld.
Eigenaren van een ridderhofstad behoorden tot de lagere adel. Er was wel een duidelijk onderscheid onderstaan tussen met invloedrijke bestuurders in de stad en rijke boeren die boerderijen hadden met kasteelachtige proporties.

Bron:
- 1528: einde van het wereldlijke gezag van de bisschop, Standen, steden en stemmen, (Kaj van Vliet) 2025.
- Adel en Ridderschap in Utrecht (Renger E. de Bruin), 2023
Deze pagina is gewijzigd op 18 juli 2025