Plundering ’t Waal

Plundering 't Waal

Op 11 en 12 januari 1567 werd ’t Waal geplunderd door een roversbende (bron). Ook het interieur van de kerk werd vernield. Een deel van deze roversbende had in de maanden ervoor door Nederland gezworven en uitvoering gegeven aan de Beeldenstorm.

Op 4 januari 1567 kregen de kapittels van Dom en Oudmunster te horen dat er vreemde krijgslieden in Hagestein waren gezien. Het gerucht ging dat deze mannen in dienst zouden staan van Hendrik van Brederode. Deze Brederode was gehuisvest in kasteel Batenstein in Vianen. Brederode ontfermde zich over Utrechtse ballingen en werd vaak ten hulp geroepen door de Calvinisten. Brederode ontkende zijn betrokkenheid.

Honderden manschappen

Op 11 januari staken zo’n paar honderd mannen de Lek over naar ‘t Waal. Daar was een veerboot tussen Hagestein en ’t Waal. De mannen waren geworven in Antwerpen door Geuzenkapitein Adriaen Menninck. Ze hielden huis in ’t Waal en betrokken de huizen. Ondertussen werden nieuwe mannen uit Culemborg gevraagd ook naar ’t Waal te komen.

Slecht bewapend

Een lid van het Utrechts bestuur, Jan van Lent, had aan de dijk gezien dat er wachtposten waren uitgezet. Een kennis met een goede lokale bekendheid ging via een sluipweg naar het dorp en keerde terug met de mededeling dat de bezetters weinig wapens hadden. Van Lent informeerde het stadsbestuur en sprak het vermoeden uit dat deze manschappen voorbereidingen troffen om rovend over het platteland te trekken. Hij adviseerde de boeren te mobiliseren, de kerkklokken van Jutphaas, Houten, Schalkwijk, Werkhoven en Bunnik te luiden en met de Utrechtse manschappen de slecht bewapende roversbende aan te vallen.

12 januari: de aanval

De volgende dag trok de Utrechtse hopman Spyker met zijn manschappen naar ’t Waal. Tegelijkertijd werden in Jutphaas de klokken geluid en de boeren van Jutphaas gemobiliseerd. Die hadden weinig zin in een gevecht. Uiteindelijk hoefden ze ook niet in actie te komen. Bij het zien van de Utrechtse manschappen bleken de rebellen snel over de Lek naar Vianen te zijn gevlucht. Enkele rebellen werden gevangen genomen. ’s Middags kregen de Utrechtse manschappen assistentie van ruiters van de Prins van Oranje. Maar dat was te laat. De rebellen waren al verdreven en trokken naar Vianen.

In Vianen aangekomen werden de rovende mannen niet tot de stad toegelaten. De stadspoorten bleven gesloten. Ze waren daar verbaasd over, omdat hun leider Adriaen Menninck had verteld dat ze in opdracht werkten van Brederode, de heer van Vianen. Ze dwongen Menninck te vertellen voor wie ze wel werkten. Hij noemde daarop de naam: ‘Jan van Marnix, heer van Toulouse’ en stelde voor om Dordrecht aan te vallen. De mannen geloofden het allemaal wel en gingen hun eigen weg.

Duidelijk is dat de kerk van ’t Waal niet door de Beeldenstorm werd getroffen, maar door een roversbende. In de zuidmuur van de kerk in Tull en ’t Waal is een herinneringsteen gemetseld met het jaartal 1567.