Plundering Houten

1421 was een gewelddadig jaar voor Houten. Er woedde een oorlog tussen Reinoud IV van Gelre en de 78-jarige bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim. Over en weer trokken legers elkaars gebied in om te plunderen en verwoesten.

Op 26 juni werd Ede geplunderd door Utrecht en Amersfoort. Op 8 oktober trok de bejaarde bisschop gezeten in een wagen naar Renkum om met 500 ruiters en 6000 man het dorp te verwoesten. Ook Rozendaal, Wageningen en Velp werden geplunderd. Zonder één man te verliezen en met veel buit trok de bisschop vol triomf terug.

Plundering Houten en Loerik

De wraak van Gelre volgde op 14 oktober 1421. Houten, Loerik, Amerongen, Zeist, Doorn en nog enkele dorpen werden geplunderd. Gelderse ruiters en voetknechten maakten veel vee buit en staken grote hoeveelheden koren in de voorraadschuren in brand. De aanval ging samen met moord en doodslag. De bevolking vluchtte naar Schalkwijk of veiliger naar Utrecht, waar de Tolsteegpoort voor hun open stond.

Voor de bevolking van Houten betekende dit gebrek aan voedsel die winter (bron). Volgens sommige bronnen zou Houten helemaal in as zijn gelegd.

De plunderingen vonden plaats door Gijsbert Pieck, de heren van Gaasbeek, van Egmond en Kuilenburg. Houten was uitgekozen, omdat het dorp in 1420 aan andere plunderingen was ontsnapt.

De stormen in de daarop volgende winter en daarbij horende stormvloeden maakten een eind aan de strooptochten over en weer.