Plundering Houten (1421)

1421 was een gewelddadig jaar voor Houten. Er woedde een oorlog tussen Reinoud IV van Gelre en de 78-jarige bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim. Over en weer trokken legers elkaars gebied in om te plunderen en verwoesten. Zoals altijd was de gewone man het slachtoffer.

Op 8 oktober trok de bejaarde bisschop gezeten in een wagen naar Renkum om met 500 ruiters en 6000 man het dorp te verwoesten. Ook Rozendaal, Wageningen en Velp werden geplunderd. Zonder één man te verliezen en met veel buit trok de bisschop vol triomf terug.

Plundering Houten en Loerik

De wraak van Gelre volgde op 14 oktober 1421. Houten, Loerik, Amerongen, Zeist, Doorn en nog enkele dorpen werden geplunderd. Gelderse ruiters en voetknechten maakten veel vee buit en staken grote hoeveelheden koren in de voorraadschuren in brand. De aanval ging samen met moord en doodslag. De bevolking vluchtte naar Schalkwijk of veiliger naar Utrecht, waar de Tolsteegpoort voor hun open stond.

Houten bestond in dat jaar uit een stenen kerkgebouw met een brink. Deze brink wordt al in 1316 genoemd en was te vinden op de huidige Burgemeester Wallerweg. Rond dit dorpspleintje stonden huizen en de wegen liepen diverse kanten op. Verder stonden verspreid in het landschap losse boerderijen. Ook in Loerik was dit het geval.

Voor de bevolking van Houten betekende dit gebrek aan voedsel die winter (bron). Volgens sommige bronnen zou Houten helemaal in as zijn gelegd.

De plunderingen vonden plaats door Gijsbert Pieck (Van Gelre) en de heren van Gaasbeek, van Egmond en Kuilenburg. Houten was uitgekozen omdat het dorp in 1420 aan de plunderingen uit dat jaar was ontsnapt. De stormen in de daarop volgende winter en daarbij horende stormvloeden maakten een eind aan de strooptochten over en weer.

Houten is daarna weer opgebouwd. Dat weten we omdat bekend is dat in 1452 een boerderij aan De Brink wordt verpacht.

Deze pagina is gewijzigd op 17 september 2021