Grote dijkdoorbraak 1624

Grote Dijkdoorbraak 1624

Het nieuwe jaar van 1624 is nog maar net begonnen of een enorme dijkdoorbraak bij Tull en ’t Waal vindt plaats. Door kruiend ijs kan het rivierwater niet meer verder. Hierdoor wordt de druk van het water op de dijk zo groot, dat deze uiteindelijk doorbreekt.

De doorbraak is ter hoogte van het Oudslijkerveer. Het is de tweede keer dat de dijk op deze locatie doorbreekt. Eerder was dit al in 1496 gebeurd.

De herhaalde doorbraak komt door een zandbaan (een stroomgordel) in de ondergrond, waardoor de dijk op een zwak punt staat. Door kwelstromen in het zand verzwakt de dijk (piping). De druk op de dijk is daarnaast extra hoog, omdat er illegaal een dam is gemaakt tussen een zandbank in de rivier en de zuidoever. De illegale dam zorgt ervoor dat het Lekwater via de noordelijke tak verder moet, maar kan dat niet door blokkerende ijsdammen bij Vianen.

Afbeelding Grote Dijkdoorbraak 1624
Na de dijkdoorbraak 1624 wordt de dijk gerepareerd.

Groot gebied onder water

Het gat in de dijk wordt steeds groter en is uiteindelijk tussen de 100 en 150 meter breed. Het water stroomt de polder Rietveld in, waarna de ontginningen van Schalkwijk, Schonauwen en Wulven snel onder water lopen.

Vervolgens stroomt een enorme massa water via Jutphaas richting Woerden en Utrecht. In deze laatste plaats lopen de werfkelders onder. Het hele gebied tussen de Hollandse IJssel en de Oude Rijn komt onder water te staan. Ook de rest van het Kromme Rijngebied komt niet ongeschonden weg. In Cothen worden de noodklokken geluid en het water stroomt de ontginning van Langbroek binnen.

De ramp in het westen van Utrecht en Holland is groot. Vee verdrinkt en ook huizen komen onder water te staan. In eerste instantie houden de kades van de Wiericke (Omgeving Driebruggen) het water tegen, maar ook deze bezwijken. Het Lekwater stroomt verder en bereikt Rotterdam. Vlak voor de steden van Delft en Leiden komt het water tot stilstand. Vanuit het getroffen gebied komt een vluchtelingenstroom op gang.

Gat is niet te dichten

Bij ’t Waal duurt het lang voordat het gat in de dijk wordt gedicht. Pas vier dagen na de doorbraak komt het college van dijkgraaf en heemraden bijeen. Ze besluiten een ringdijk om het gat in de dijk te maken.

Historicus A. van Bemmel schrijft in zijn boek “De Lekdijk van Amerongen naar Vreeswijk” dat in de documenten uit die tijd de paniek is te lezen.

Afbeelding Grote Dijkdoorbraak 1624
Klik op de afbeelding voor een vergroting

Ondertussen wordt bij Woerden een dam opgeworpen om het water naar Amstelland en de Venen af te leiden. Het gevolg is dat in Amsterdam het water zo hoog komt, dat de sluizen bij de stad niet meer werken, waardoor het water in sommige Amsterdamse straten komt te staan.

Na twee weken is de waterstand in de Lek gedaald en verlopen de werkzaamheden beter. Men laat schepen gevuld met zand en stenen in het laatste gat van de nieuwe ringdijk zinken. De dijk moet dan nog wel worden afgewerkt.

Helaas valt de winter weer in en is het bar koud in de weken erna, waardoor de afrondende werkzaamheden aan de dijk niet vlotten. Op 25 februari 1624 dooit het en breekt de nieuwe ringdijk weer door. Het water stroomt opnieuw richting Jutphaas. Dit keer wordt het gat wel snel gedicht.

Wil na de grote Dijkdoorbraak 1624
Achter de dijk is tegenwoordig nog de plek te zien in de vorm van een ‘wiel’. Zowel het wiel uit 1496 als 1614 zijn te zien.

Er was in die dagen weinig geld beschikbaar. Om de herstelwerkzaamheden te kunnen bekostigen, worden door het waterschap obligaties uitgegeven. Deze geven nog steeds rente.

In november 1700 werd in ons gebied de gregoriaanse kalender ingevoerd. Daardoor wordt ook vaak gesproken over een dijkdoorbraak op 11 januari en 6 maart. Voor de mensen in die tijd gebeurde de grote dijkdoorbraak echter op 1 januari 1624.

Bronnen:

A. van Bemmel – De Lekdijk van Amerongen naar Vreeswijk
J. Buisman – Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen