Doorbraak Lekdijk 1747

Eind februari 1747 staat het water in de Lek hoog. De situatie is zorgelijk. Vooral omdat in combinatie met de wind de dijk schade heeft opgelopen. Bij het Oudslijkerveer in ’t Waal, waar al twee keer eerder de dijk is doorgebroken, is aan de binnenzijde een stuk dijk verdwenen. Verder is er schade bij de dijk aan Vreeswijk, die op dat moment bekend staat als het zwakste stuk van de dijk.

De stad Utrecht neemt voorzorgsmaatregelen. Dankzij Mr. Dirk Woertman, lid van de Vroedschap weten we goed wat er die weken gebeurde.

De dijk zakt weg

Het is vroeg in de ochtend van 28 februari wanneer de waterstand in de Lek alweer dalende is. Maar dan rond half zeven zakt de Lekdijk plotseling in. Op een onverwachte plek: vlakbij Wijk bij Duurstede bij ‘De Noord’ (niet te verwarren met Den Oord) is over een afstand van 55 meter de dijk ingezakt. De dijk was uitgehold en de holtes waren gevuld met rivierwater. Nu het rivierwater daalt, valt de druk in de holtes weg en zakt de dijk in.

Het rivierwater stroomt het land binnen en het laaggelegen Wijkerbroek vult zich snel op. Al snel bereikt het Dwarsdijk, waarbij een deel van het water de Houtense stroomrug oversteekt en de Kromme Rijn bereikt. Een andere groter deel stroomt naar het laag gelegen Schalkwijk, waarbij de Schalkwijksewetering een watersnelweg wordt. De ramp is begonnen.

Boeren worden niet geloofd

In de stad Utrecht is men in de ochtend van 28 februari nog van geen kwaad bewust. Tegen het middaguur bereiken enkele boeren uit het Kromme Rijngebied de stad en vertellen dat de dijk is doorgebroken. Ze worden niet geloofd. Pas enkele uren later krijgt de burgemeester van Utrecht per koerier bericht uit Wijk bij Duurstede wat er is gebeurd. Utrecht laat direct alle sluizen openen en stuurt een bode naar Amsterdam met het nieuws dat de dijk is doorgebroken. Ook worden de bewoners langs de grachten geïnformeerd.

Al vrij snel stromen Schalkwijk, Honswijk en ’t Waal onder water. Op 2 maart staat Schalkwijk dusdanig diep onder water, dat de dijkgraaf per boot naar de dijk gaat en zijn hoofdkwartier verplaatst naar Vreeswijk.

Via Cothen zijn ook de ontginningen van Langbroek overgelopen. De bevolking vlucht naar Doorn en Driebergen. Via de Kromme Rijn bereikt het water achtereenvolgens Werkhoven, Odijk en Bunnik. In de middag van 3 maart neemt men in de stad Utrecht een snelle stijging van het water in de Kromme Rijn waar. De vloedgolf nadert het oosten van de stad.

Een globale aanname van de voortgang van de overstroming

4 maart 1747

Op 4 maart staan onder water: Cothen, Schalkwijk, Tull en ‘t Waal, Werkhoven, Houten (deels), Odijk, Bunnik, Zeist (deels), Wulven, Schonauwen, Hoog en Laag Raven, Vechten, Amelisweerd, Abstede, De Bilt en Maarschalkerweerd. De Vecht kan op dat moment het water niet meer aan en begint over te lopen. Men vreest voor de lage landen ten noorden van Utrecht. De Vaart tussen Utrecht en Vreeswijk kan het water ook niet verwerken en stroomt over. De landerijen van Jutphaas, Galecop en Papendorp lopen gestaag vol.

5 maart 1747

Het water in de Lek is dalende, maar de watermassa bereikt deze dag de Maliebaan en Biltstraat, dat toen de rand van de stad was. Blauwkapel en Maartensdijk lopen deels onder. Het westen van Utrecht blijft ook niet bespaard. De Meerndijk stroomt over en Harmelen krijgt met het eerste water te maken.

Oprechte Haarlemse courant 7 maart 1747

6 maart 1747

De landerijen van Kockengen, Vleuten, Maarssen, Zegveld, Kamerik, Woerden en Breukelen lopen ook onder. Geen enkele dwarsdijk is meer bestand tegen het aanhoudende Lekwater. Met kades lukt het dorpen redelijk vrij van water te houden.

7 maart 1747

De stadsbestuurders van Utrecht klimmen op de ‘astronomische tooren profr Odé’ en zien via de verrekijkers hoe groot de overstroming is rond Utrecht. Alles staat onder water.

8 maart 1747

Het water in de Lek is constant dalende. Maar Loosdrecht en ’s Graveland blijken nu ook onder water te staan. Het laag gelegen Schalkwijk is het hardst getroffen. Maar berichten hierover zijn er niet. Wel is de Schalkwijksewetering dichtgeslibd met zand. Boerderijen zijn beschadigd, waaronder de schuilkerk. Deze laatste wordt later herbouwd op een andere locatie.

9 maart 1747

Bij De Noord wordt gewerkt aan het gat in de dijk. De waterstand is verder gezakt en er stroomt maar weinig water binnen. Bij Linschoten blijkt de dwarsdijk het water tegen te houden, waardoor de lage delen van Holland geen gevaar lopen.

Amsterdamse courant 14 maart 1747

Op 14 maart daalt het water in de Lek verder en loopt de uiterwaard leeg. Eind maart is het gat gedicht met een nooddijk. Op 21 maart bericht de Oprechte Haerlemsche courant dat al het water in het sticht van Utrecht weg is. Tot op de dag van vandaag is de Lekdijk niet meer doorgebroken.

Bronnen

A. van Bemmel – De Lekdijk van Amerongen naar Vreeswijk
J. Buisman – Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen
Eigenhandige aanteekeningen van Mr. Dirk Woertman, lid van de Vroedschap