Het drankprobleem van de 19e eeuw

In de tweede helft van de 19e eeuw waren jenever en brandewijn de nieuwe volksdrank. Het zwak alcoholische bier dat eeuwenlang populair was, werd verdrongen.

Bier was meer dan een genotsmiddel. Met een laag alcoholpercentage verving het water. Zeker in de grote steden was water gevaarlijk en was de kans op cholera reëel.

Daar bier eeuwenlang als water werd gedronken, werd na enige tijd ook jenever en brandewijn als water gedronken. Tussen 1850 en 1875 verdubbelde het drankgebruik per hoofd van de bevolking.

Ook onder werktijd was behoefte aan jenever en arbeiders stonden steeds vaker beschoten op het veld. De roep om maatregelen werd steeds groter.

Ingrijpen overheid

In 1881 wordt de eerste drankwet ingevoerd. Daarmee hoopte de regering het aantal verkooppunten voor sterke drank te beperken. Het beschermen van mensen tegen de gevaren van alcohol werd niet als een overheidstaak beschouwd. Het ging om het handhaven van de openbare orde.

Met de komst van de dorpspomp in 1875 in Houten en Schalkwijk is er schoon drinkwater beschikbaar. Er kon gewoon water worden gedronken. En dat was nog gratis ook. Het alcoholgebruik nam af en in de jaren 20 van de 20e eeuw was het alcoholgebruik fors gedaald.

Stokerijen

Toch bleef er vraag naar sterke drank. Illegale stokerijen voorzagen in deze behoefte. Deze stokerijen leverden ook extra inkomsten op voor de boeren, want we waren in de jaren 20 in een nieuwe crisis terecht gekomen. De overheid die accijnsinkomsten misliep, maakte jacht op deze illegale stokerijen.

1925
1927

De kranten uit de jaren 20 berichten ons twee keer over het oprollen van zo’n illegale branderij. In 1925 in ’t Goy en in 1927 in Loerik. Wanneer je de berichten leest, kun je een parallel trekken met de huidige drugslaboratoria die her en der in het zuiden van het land op het platteland zijn te vinden.

Geef een reactie