Soap in Schalkwijk

      Geen reacties op Soap in Schalkwijk

Op 1 juni 1929 schrijft de Schalkwijkse veldwachter C. Versteeg een bekeuring uit aan slager A. van Rossum. Het zou het begin worden van diverse (rechts)zaken, waarbij zelfs de koningin wordt ingeschakeld. Uiteindelijk verdwijnt de zoon van de slager een maand in de gevangenis.

Op de betreffende dag legt inwoner Van Schalkwijk bij de woning van de slager een zakje vlees neer. Het is de bedoeling om het vlees te laten keuren, omdat bij de slager ook een keuringlokaal is gevestigd. Wanneer even later de passerende veldwachter Versteeg het zakje met vlees ziet liggen, constateert hij dat het vlees stinkt. Hij maakt proces verbaal op tegen de slager vanwege overtreding van de vleeswarenwet.

Slager Van Rossum weet echter niets van het zakje met vlees dat bij zijn huis is gelegd en de zaak komt voor bij de kantonrechter in Wijk bij Duurstede (zaak 1). Bij de aanklacht heeft de veldwachter gesteld dat de slager er wel van wist. Maar de slager heeft getuigen meegenomen die de onschuld van de slager bevestigen. Het OM eist 600 gulden of 3 maanden hechtenis. De rechter spreekt de slager vrij.

Het Volk 22 maart 1932 (Delpher)

Gespannen situatie

Het is duidelijk dat er daarna een gespannen relatie tussen veldwachter en slager ontstaat. De slager dient bij rechtbank Utrecht een aanklacht in wegens meineed door de veldwachter. Het OM weigert dit te behandelen (zaak 2). Vanaf dat moment beschuldigt de slager overal waar hij kan de veldwachter van meineed.

In diezelfde periode wordt Willem van Rossum, zoon van de slager, door de veldwachter betrapt op stropen. De zoon geeft dit openlijk toe. De kantonrechter in Wijk bij Duurstede legt hem in oktober 1929 een boete op van 40 gulden (zaak 3).

Maar de veldwachter heeft ook een proces verbaal van verzet opgemaakt tegen zoon Willem van Rossum. Deze zaak verschijnt bij de Utrechtse rechter (zaak 4). Van Rossum jr ontkent het verzet en zegt alleen de revolver van de veldwachter te hebben afgenomen en te hebben weggegooid, toen deze hem tot verzet wilde provoceren. De rechter prikt door de verklaringen van de veldwachter heen. Zo blijkt dat de veldwachter zich niet bedreigd heeft gevoeld en de aanklacht houdt niet stand.

Toch krijgt Van Rossum jr een maand cel, omdat de revolver in een sloot was terechtgekomen. Hij gaat in hoger beroep.

Slager weer voor rechter

De relatie tussen slager en veldwachter is ondertussen zo gespannen dat in december 1930 de veldwachter een aanklacht wegens belediging (zaak 5) tegen de slager indient. De veldwachter is na ruim een jaar wel klaar met de verhalen van de slager. Deze aanklacht pakt het OM wel op en op 9 januari 1931 wordt de zitting bij de rechtbank Utrecht gepland.

De slager hoort dat zijn getuigen die dag niet kunnen en verzoekt om uitstel. Daarop antwoordt de rechtbank dat de zaak is geseponeerd. Kennelijk vindt het OM de aanklacht niet sterk genoeg.

Kerst 2018

Hoger beroep

In 1931 komt het hoger beroep van Willem van Rossum voor de rechtbank van Amsterdam (zaak 6). Bij deze zitting vertelt de veldwachter in tegenstelling tot bij de Utrechtse rechter, dat hij zich wel bedreigd voelde. Ook had hij vernomen van een vriend van Van Rossum jr, dat die hem wilde doodschieten. Verder verklaart de veldwachter dat Van Rossum jr een gevaarlijk persoon in het dorp is. Het OM eist 6 maanden gevangenisstraf.

Van Rossum jr krijgt dit keer steun van een Schalkwijkse wethouder die zegt dat Van Rossum rustig en ongevaarlijk is. Zijn vriend verklaart nooit met de veldwachter over Van Rossum heeft gesproken. Op 28 oktober 1931 veroordeelt het hof Van Rossum tot 1 maand gevangenis, dezelfde straf als de Utrechtse rechter heeft bepaald.

Van Rossum jr doet nog een poging om gratie aan te vragen bij de koningin (zaak 7), maar dat wordt afgewezen.

Abonneer je nu

Voer je e-mailadres in en bij elk nieuw bericht op oudhouten.nl ontvang je een e-mail.

Geef een reactie