Waarom dijkdoorbraken op dezelfde plaats gebeurden

      Reacties uitgeschakeld voor Waarom dijkdoorbraken op dezelfde plaats gebeurden

De Lekdijk heeft tot 1747 te maken gekregen met dijkdoorbraken. In de middeleeuwen gebeurde dit omdat de dijk te laag was of onderhoud was uitgebleven. Maar in latere eeuwen toen het onderhoud beter werd, bleek de dijk vaker op dezelfde locatie het te begeven.

In 1523 en 1638 gebeurde dit bij De Heul. In 1496 en 1624 ter hoogte van het Oudslijkerveer in Tull en ’t Waal. Op deze laatste locatie zijn binnendijks twee wielen zichtbaar, twee waterplasjes die zijn overgebleven na de dijkdoorbraken. Hoe kan het dat de dijk elke keer op dezelfde plek doorbrak?

Piping

Het antwoord is piping. De Lekdijk ligt op een waterdichte kleilaag. Wanneer het water in de rivier stijgt, zorgt de kleilaag voor een ideale waterkering. Dit wordt kritisch op het moment dat de rivier een zandbaan in de bodem kruist. Dus bijvoorbeeld wanneer een stroomgordel van een oude rivier wordt geraakt.

Stroomgordel
Bij het Oudslijkerveer is dat het geval, omdat de Vuijlcopstroomrug hier de Lek raakt. Bij de Heul gaat het om de Honswijk en Zouwe stroomrug. De bodem bevat op deze locaties minder zware klei en zand. Deze is afgedekt met dichtere klei.

Kwelwater
Wanneer achter de dijk een te diep gat wordt gegraven, komt er kwelwater uit dit gat omhoog. Het kwelwater gaat via de watervoerende ondergrondse zandbaan naar het lager gelegen gat. Dit proces gaat uiteindelijk zo snel, dan ook het zand onder de dijk wordt meegevoerd en de dijk het begeeft. Piping heet dit in waterbouwkundige termen.

Dit verschijnsel is uiteraard bij de waterschappen bekend en sinds deze eeuw worden er maatregelen tegen genomen. Voor ons verklaart het waarom de dijkdoorbraken op dezelfde locaties voorkwamen.