Kleine ijstijd

Vanaf het jaar 1416 worden de winters plotseling kouder. Rond het jaar 1430 komt de gemiddelde jaartemperatuur onder het duizendjarig gemiddelde van 9 graden. Weerhistoricus Buisman definieert dit jaar dan ook als het begin van de Kleine IJstijd. Deze periode duurde tot 1820 met een uitloop tot 1840.

Er waren verschillende periodes tijdens de Kleine IJstijd die koud waren, afgewisseld door warmere perioden. Vanaf 1540 worden ook de zomers kouder. We komen dan in het eerste dieptepunt, gevolgd door een tweede rond het jaar 1690.

1430 – 1490 Eerste koude periode
1530 – 1625 Eerste dieptepunt Kleine IJstijd
1650 – 1699 Tweede dieptepunt met nog koudere winters
1800 – 1820 Laatste koude periode met uitloop tot 1840

IJsgang in de Lek

Tijdens deze periode bevriest de Lek regelmatig. IJsgang is het belangrijkste gevaar voor dijkdoorbraak. In 1496, 1624 en 1638 gebeurt dit daadwerkelijk. Rond 1631 komt er behoefte aan begaanbare landwegen. Door de koude winters zijn veel plaatsen via de kleiwegen en bevroren waterwegen lange tijd onbereikbaar.

Warme periodes

Na 1700 komen de tuinen van Heemstede tot bloei. Er zijn in deze tuinen zelfs bijzondere bomen en planten die normaal niet in Nederland voorkomen. Dit is mogelijk dankzij een korte warme periode binnen de Kleine IJstijd.

Tip: Het weer en klimaat tijdens de Kleine IJstijd is goed beschreven in de boeken van Jan Buisman. In deel 6 van ‘Duizend jaar weer en wind in de lage landen‘ gaat over de periode 1750 – 1800. Eerdere delen zijn ook beschikbaar.