Steentijd

Het lage Nederland is vrijwel altijd een afvoergebied geweest voor het regen- en smeltwater uit Noordoost Frankrijk en Duitsland. Rivieren als de Rijn en Maas stroomden naar onze regio en veranderden daarbij regelmatig van vorm en de lengte. Uiteindelijk kreeg de Rijn ook het smeltwater te verwerken uit de Alpen, ten koste van de Donau en Rhône.

IJstijd
De oudste sporen van de aanwezigheid van de Rijn in Nederland gaan terug tot 250.000 jaar geleden. In de periode van de Saalien (238.000 tot 128.000 jaar terug) kwam het landijs tot aan Utrecht en werd de Utrechtse Heuvelrug gevormd. De Rijn en Maas werden gedwongen westwaarts te stromen.

Gedurende de Weichselien tijdens de laatste ijstijd (116.000 tot 11.500 jaar geleden), kwam het landijs niet meer zo zuidelijk, maar was de ondergrond bevroren. In Nederland heerste toen een poolklimaat, afgewisseld door een toendraklimaat. Het was droog en los zand stoof rond. Sporen van dit kale landschap bevinden zich op 4 tot 7 meter diepte in de Houtense bodem. De zeespiegel stond 120 meter lager dan tegenwoordig en Nederland was met Engeland verbonden.

Met het einde van de ijstijd in 11500 voor Christus steeg ook de zeespiegel. In 8200 voor Christus steeg deze zo snel, dat grote delen van het huidige Zuid-Holland onder water kwam te staan en veranderde in een soort waddengebied. Dit staat bekend als het 8.2 event. De zee kwam ergens in de buurt van Gouda te liggen. Met storm kwam de zee verder landinwaarts. Tussen 6000 en 4000 voor Christus komt er een eind aan de zeespiegelstijging en begint de huidige kustlijn van Holland zich te vormen. Het achterland is moerassig.

Rivieren
In die tijd stroomden de Rijn en de Maas door een groot aaneengesloten dal tussen Houten en Kerkdriel. Ze vormden grote vlechtende riviervlaktes. Een vlechtend rivierterras is in de ondergrond van Honswijk en Schalkwijk terug te vinden.

Door het ontstaan van vegetatie sneden rivieren zich steeds vaker in het landschap. De rivier volgde steeds vaker een vaste route met een meanderd karakter. Het eerst gebeurde dit in het westen van de huidige provincie Utrecht en later meer naar het oosten. Zo ontstaat rond 4850 voor Christus de eerste rivier De Wiersch in het uiterste zuidwesten van de huidige gemeente.

Eerste bewoning
Op de grens van de Nieuwe Steentijd en de Bronstijd arriveren de eerste bewoners in Houten. Bij archeologische opgravingen langs de spoorlijn ter hoogte van het huidige Raaigras bij de stadsverwarming, zijn fragmenten van een bekerpot en een groot en zwaar stenen aambeeld of maalsteen gevonden.

Ook zijn er aardewerk, vuursteen en natuursteen en dierlijke botten gevonden. Deze voorwerpen zijn gedateerd op de periode 2200 – 1970 voor Christus. De toenmalige bewoners hielden runderen, verbouwden gerst en mogelijk tarwe. Ook werd er gejaagd op hert. Er was dus al bewoning voordat de Houtense stroomrug werd gevormd.

Opmerkelijk is dat het archeologisch rapport meldt dat er een scherf is gevonden, die mogelijk terug te voeren is tot het Midden-Neolithicum. Dit betekent dat dit voorwerp ergens rond 6500 voor Christus moet worden gedateerd.
Oudste sporen
Op de grens van de Nieuwe Steentijd en de Bronstijd arriveren de eerste bewoners in Houten. De oudste sporen gaan terug tot de periode -2200 / -1970 voor Christus.
Breuklijnen
In Houten zijn drie tektonische breuklijnen actief. In Steenwaard, in de Hoonpolder en bij de Goysebrug.

Lees verder
Stroomruggen
Het Houtens landschap bestaat uit stroomruggen en kommen. De eerste stroomrug ontstond 4850 jaar geleden en de laatste was in de Romeinse tijd gereed.

Lees verder

< -2000

Tijdlijn

-11500
Einde laatste ijstijd
-11500
Zeespiegel stijgt
-8200
Zeespiegel stijgt snel
-5000
Einde zeespiegelstijging
-5000
Veenvorming in Houten
-4850
Eerste rivier ontstaat
-3000
Kustlijn bij Woerden
-2200
Eerste bewoningsporen