In de 12e eeuw wordt de strijd tegen het water aangegaan. De Rijn bij Wijk bij Duurstede wordt afgedamd en langs de Lek worden dijken aangelegd. In het zuidwesten en westen van Het Nedersticht (ongeveer de huidige provincie Utrecht) vinden ontginningen plaats.
In het jaar 1122 besluit de Bisschop van Utrecht tot ontginning van de moerasachtige wildernis ten zuiden van Houten. Reden is de toename van de bevolking en de behoefte aan agrarische grond. Maar vooral inkomsten voor de bisschop.
Graafwerkzaamheden
In het gebied worden drie weteringen gegraven. De Houtense/Goyerwetering in het noorden, zodat het grondwater van de hogere delen van de stroomrug kan worden afgevoerd. De Schalkwijksewetering in het midden en de Waalse
Wetering /Honswijksche Wetering in het zuiden. De weteringen komen uit op de Vaartse Rijn die vanaf 1125 werd gegraven om Utrecht met De Lek te verbinden. Het graven van de weteringen duurde 70 jaar. Verschillende generaties waren dus bij de ontginningen betrokken.
In delen wordt het gebied vanaf 1133 ontgonnen. Op regelmatige afstanden worden sloten gegraven, parallel aan deze wegen. De sloten komen uit op de weteringen. Zo ontstaan er kavels van 1250 meter lengte en 113 meter breedte.
Het graven van de sloten werd uitgevoerd door nieuwe boeren die op zoek waren naar land. Ze waren verplicht de sloten te onderhouden en een deel van de opbrengsten af te staan.
Fases
In het middendeel (Bieshaar en Tetwijk) wordt als eerste begonnen met de ontginningen. Het is de huidige plek van het dorp Schalkwijk. De familie van Schalkwijk neemt in dit deel de leiding.
Daarna volgen Vuijlcop, het Waalseveld en Goyerveld. Voor Vuijlcop wordt in 1133 een contract afgesloten. De Norbertijnerabdij Mariënweerd krijgt de rechtsmacht. Het
westelijke deel van de ontginningen werd vanuit de oudere dorpen Tull en ’t Waal en Houten ontgonnen.
Om het oostelijk deel van Schalkwijk te ontginnen moet de Schalkwijksewetering worden verlengd. Hiervoor wordt in 1159 toestemming verleend.
De overige gebieden (Blokhoven, De Knoest en De Geer) worden aan het eind van de 12e eeuw ontgonnen.
Ontstaan dorp Schalkwijk
De vele arbeiders en later boeren die nodig zijn voor de werkzaamheden
overnachten in woningen in het ontginningsgebied. In 1136 is er sprake van het dorp Schalkwijk (bron).
Vooral langs de Schalkwijksewetering ontstaan huisjes. Later blijkt dit niet altijd droog te zijn en verkast een deel van de bevolking naar Houtensewetering.
Een deel van de grond op de Vuylkoopstroomrug wordt toegewezen voor de bouw van een kerk. De familie Schalkwijk speelt ook een rol bij de bouw van de kerk. Rond 1225 is er zoveel geld binnen dat er een kasteel voor deze familie wordt gebouwd in de Tetwijksepolder.
In eerste instantie was akkerbouw mogelijk in het ontginningsgebied. Na 1800 was de grond dusdanig ingeklonken dat alleen nog maar veelteelt mogelijk was. Alleen vlak langs de Houtensewetering was fruitteelt mogelijk.
| 1122 | Besluit ontginningen |
| 1125 | Vaartse Rijn gegraven |
| 1130 | Aanleg weteringen |
| 1133 | Ontginning Vuijlcop |
| 1133 | Ontginning Schalkwijk |
| ±1136 | Bewoning Schalkwijk |
| 1159 | Verlengen wetering |
| 1159 | Ontginning oostelijk deel |
| 1164 | Stichting kerk |
| 1200 | Weteringen gereed |
| 1225 | Eerste kasteel |
| ±1800 | Verzakking, alleen veeteelt |