De Late IJzertijd
De Late IJzertijd betekende een periode met een enorme verandering voor Houten. In enkele eeuwen tijd kreeg de lokale bevolking te maken met de Eburonen, Bataven en
Romeinen. Bovendien bemoeiden Germaanse stammen zich ook steeds vaker met de regio.
Het Houten uit de derde eeuw voor Christus was een dunbevolkt gebied. Zeker in vergelijking met de aantallen mensen die woonden in het zuiden en midden van Europa. Gebieden waar de ontwikkeling al veel verder was, maar waar ook de oorlogzucht was toegenomen.
Het landschap op de Houtense stroomrug bestond uit bos. Elzen op de lagere delen en Eiken, Hazelaar en Beuken (
bron). Door het bos liepen geulen van zo'n één meter diep. Dit waren oude rivierbeddingen die vol stonden met water. Boerderijen stonden bij voorkeur langs zo'n geul.
Verandering landschap
Rond -200 voor Christus (+/- 37 jaar) verandert het landschap. Uit archeobotanisch onderzoek blijkt het bos in Loerik een open landschap te zijn geworden. Ook wordt meer menselijke activiteit waargenomen (
bron).
Het lijkt erop dat de Eburonen zich van dat moment in Houten hebben gevestigd. Aanwijzigingen zijn het zogenaamd La Tène-glas, maar ook kledingspelden en Keltische munten (
bron).
Archeologen vinden veel sporen uit de Late Ijzertijd terug in 't Goy en Houten. Het gaat dan om kleine nederzettingen. Twee a drie huisjes samen, die een gemeenschap vormden.
De mensen die hier woonden maakten gebruik van veeteelt (rund, paard, schaap of geit, en varken) en landbouw (graan).
Schalkwijk was in die tijd verlaten. Tegelijkertijd ontstaat ten zuiden van Houten
De Lek.
Bataven
Vermoedelijk tussen -38 en -30 voor Christus dringen vanuit het oosten de Bataven op langs de rivieren. Ze waren enkele jaren eerder door de Romeinen aangemoedigd de dunbevolkte gebieden in Nederland te bevolken. De Eburonen en Bataven smelten samen en enkele tientallen jaren later komen de
Romeinen definitief binnen.